
Engelbertus Roerdinkholder
Engelbertus werd geboren in 1830 te Winterswijk op de boerderij ROERDINKHOLDER. Deze boerderij bestaat nog en draagt nog steeds die naam.
Op 6 april 1849 nam Engelbertus vrijwillig dienst in het leger. Hij nam de plaats in van Willen Jan Coster, die hem daarvoor wel betaald zal hebben, dat gebeurde n.l. wel meer in die tijd.
| Volgens de stamboeken in het archief in den Haag werd
hij ingedeeld als milicien voor den tijd van vijf jaren bij het eerste Regiment
Infantrie, zijnde nummer van wisselaar met Willen Jan Coster der ligting van
1849 onder nr. 104 reserve den 26sten April 1849, overgegaan bij het 4de
Regiment Infantrie met eene vrijwillige verbintenis voor den tijd van zes jaren
krachtens authorisatie 171 der Wet op de O.V.B. van 8 januarij 1817 en
authorisatie van den Prov. Kommandant van Noord Brabant, voor premie toegestaan
20 gld. Den 22sten November 1849 gedetacheerd bij Kompie van Noord Brabant en Zeeland. |
|
Den 18den October 1853 overgekomen van het 4de Regiment Infantrie als Marechaussee te voet onder vrijstelling van borgtogt en opdat als zodanig geëngageerd voor den tijd van 8 jaren. Op den 18den October geëngageerd voor den tijd van twee jaren.
Gedane veldtogten, bekomen wonden, uitstekende daden:
Op den 22sten November 1861 de Bronzen medaille
ontvangen tengevolge autorisatie van Z.K.H. den Prins van Oranje, Luitenant
Generaal belast met het algemeen toezigt over het wapen der Koninklijke
Marechaussee d.d. 24 October 1861.
Den 17den October 1863 met paspoort wegens expiratie van dienst.
De omzwervingen van Engelbertus met zijn gezin.
Omstreeks 1858 duikt hij op in Gemert, alwaar zijn latere vrouw Johanna Maria van der Rijt op 21 januari 1859 bevalt van een dochter genaamd Anna Gertruda. Bij het huwelijk in Bergeijk op 5 oktober 1861 wordt het kind erkend en gewettigd.
Vermoedelijk is Engelbertus eind 1863 begin 1864 naar
Texel vertrokken, hij werd daar Rijksveldwachter. Het tweede kind wordt daar in
1865 geboren. Hij blijft daar tot 4 november 1874 en gaat dan met zijn gezin,
dat inmiddels bestond uit vader, moeder en 10 kinderen, naar Hoogwoud
(NH), ook daar was hij Rijksveldwachter.
Van Hoogwoud verhuist hij op 11 augustus 1876 naar Alkmaar, hier overlijdt zijn
vrouw op 30 maart 1877.
Hij vertrekt op 6 september van dat jaar naar Houten, behalve Lubertina, die
vertrekt dan naar Arkel.
Op 11 december 1877 trekt Christina Maria Catharina Benzel bij hen in, zij komt dan uit Utrecht. Daar trouwt Engelbertus op 16 februari 1878 met haar. De kinderen verlaten dan zo zoetjes aan het huis. Gerrit Willem op 21 oktober naar Amsterdam evenals Adriana Geertruida op 3 februari 1878.
Dan vertrekt Johanna Gerardina op 13 mei 1878 naar
Utrecht en Gesiena, de grootmoeder van mijn vrouw, op 3 december, naar
Gorinchem, vermoedelijk niet voor lang. Op 1 juni 1880 gaat Gesiena vanuit
Houten naar Utrecht. De rest van het gezin, bestaande uit vader, moeder en vier
kinderen, t.w. Theodora, Anna Hendrik en Jan, volgen haar op 11 augustus 1880.
Daar staat hij ingeschreven als gepensioneerd rijksveldwachter. Hij was toen 50
jaar.
Engelbertus vertrekt op 29 april 1881 met de rest van zijn gezin naar Gorinchem
en komt op 24 oktober 1882, echter zonder zijn vrouw, weer in Utrecht
terug. Zijn vrouw bleef in Gorinchem, vermoedelijk met haar twee dochters, t.w.
Gesiena die op 7 februari 1883 naar Amsterdam vertrok en Theodora die op 2 mei
1884 naar 's-Gravenhage vertrok. In Utrecht liet hij zich op 1 oktober 1883 weer
uitschrijven en vertrok naar Leersum. Daar werdt hij met zijn vrouw en twee
zonen ingeschreven op 4 oktober 1884. Op 21 november 1883 vertrok de rest van
het gezin, vader, moeder en twee zonen, naar Maurik
Hij overleed op 11 augustus 1896 in Zoelem, 66 jaar oud.